Deze petitie is tegen een speciale draaginsigne voor de mariniers die in 1977 direct betrokken waren bij de ontzetting van de gekaapte trein bij De Punt. Het is geen stellingname tegen de individuele militair die een militaire missie uitvoerde in opdracht van de Nederlandse staat, noch tegen de nieuwe Veteranenwet als zodanig.
Op 25 juni ’12 zal het voorstel van demissionair minister van defensie van deze draaginsigne in de commissie van de Tweede Kamer worden besproken.
De Molukse gemeenschap heeft met verbijstering kennis genomen van het besluit van de minister van Defensie Hillen om 35 jaar na dato de betrokken mariniers van de Bijzonder Bijstandseenheid (BBE) een speciale onderscheiding toe te kennen in de vorm van een Draaginsigne. Daar waar de dialoog eindigt spreken de wapens, was in die tijd een veel aangehaald cliché, die de Molukse gemeenschap aan den lijve heeft ondervonden met het verlies van deze jonge Molukkers. Dit geldt ook voor de nabestaanden van de twee passagiers die het leven lieten bij de bestorming van de trein. Zij zijn, net zoals de Molukkers, tussen de spaken van de geschiedenis beland, pijnlijk en onomkeerbaar. Direct na de bestorming van de trein sprak minister-president Den Uyl de woorden uit dat hij de ontzetting van de trein als een nederlaag ervoer.
Een speciale draaginsigne is, zoals direct betrokkene oud vliegenier en oud commandant der strijdkrachten Dick Berlijn stelt, misschien wel goed bedoeld maar geen goed idee. Een andere vorm van erkenning van de gevolgen die ook voor deze militairen geldt is evenwel wenselijk maar dient passend te zijn met rekenschap naar mens en geschiedenis.
De geschiedenis voor de Molukkers in Nederland begon met het massaontslag van hun vaders uit het Koninklijke Leger direct na aankomst in Nederland in 1951. En het is weer Defensie die de klap uitdeelt met deze draaginsigne voor deze groep militairen die in opdracht van de regering de kinderen van de Molukse KNIL militairen hebben gedood. Het lijkt dan ook dat geschiedenis zich herhaalt.